Actualiteiten

Wij blijven graag up-to-date!

Hier vindt u een overzicht van meest recente artikelen, met thematiek rondom onze specialisaties en interesses.

Snel actualiteiten binnen een bepaald thema vinden? Bezoek een specifieke expertise pagina (overzicht op Onze Expertises) of een persoonlijke advocaat pagina (overzicht op Onze Advocaten).

Dringend eigen gebruik bij verhuur

In dit artikel wordt een concrete casus besproken waarbij een verhuurster (een theater) het horecagedeelte en de garderobe van het theatergebouw ingaande 1 augustus 2004 tot 30 juni 2009 (met vervolgens de mogelijkheid tot verlenging met 5 jaar) heeft verhuurd tegen een huurprijs van (bij aanvang) € 30.000 per jaar. Bij brief van 7 december 2007 heeft de verhuurster de huurovereenkomst opgezegd tegen 30 juni 2009. De reden van deze opzegging is gelegen in de omstandigheid dat het theater het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

Het theater lijdt verlies en kan slechts overleven indien zij de schouwburg kan omvormen en verbouwen tot een multifunctioneel centrum. Daarnaast heeft het theater om de  plannen te kunnen verwezenlijken (zoals door haar deugdelijk werd onderbouwd) een aanmerkelijk hogere opbrengst van de horecafunctie nodig dan zij uit verhuur van het horecagedeelte verkrijgt.

Concrete omstandigheden van het geval

Naar vaste rechtspraak dient het dringend nodig hebben voor eigen gebruik te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de verhuurder het dringend eigen gebruik slechts aannemelijk hoeft te maken en waarbij algemene bedrijfseconomische omstandigheden voldoende kunnen zijn. Er hoeft geen sprake te zijn van een financiële noodsituatie. Dat is geen vereiste. Indien aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van een dringend nodig hebben van eigen gebruik, moet de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst worden toegewezen. Een belangenafweging is dan niet aan de orde.

In dit geval had de verhuurster/het theater voldoende aannemelijk gemaakt dat zij financieel moeilijke tijden doormaakt, dat zij een bijzonder kostbare verbouwing aan het theatergebouw heeft moeten laten verrichten en dat het zelf gaan exploiteren van de horecavoorziening haar extra inkomsten zal opleveren, die zij (mede) noodzakelijk acht voor een gezonde bedrijfsvoering van het theater als geheel in de toekomst.

De kantonrechter te Oost Gelre heeft de vordering van verhuurster op voormelde gronden toegewezen en heeft het tijdstip dat de huurovereenkomst zal eindigen vastgesteld op 1 juli 2009. Het Gerechtshof te Arnhem heeft in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, zij het dat de einddatum van de huurovereenkomst nader werd bepaald op 1 juli 2010 (in plaats van 1 juli 2009).